Stuk zonder einde

Mijn hoofd lijkt dood te bloeden als ik aan je denk. Ik weet het gewoon niet meer, ik ken de waarheid niet meer. Mijn hoofd kent duizend-en-een waarheden, mijn hart kent er één maar heeft niet de ogen met die zelfde vooruitziende blik. Als ik jou kwijt raak ben ik niemand meer zo voelt het omdat jij van ons twee altijd de persoon was die geworteld stond in de realiteit maar ondanks die waarheid kan ik je nog steeds niet beminnen zoals een lang leven samen dat verlangt. Zelfs met mijn bril blind voor labels kan ik niet zien wat je van me bent. Ik verlang niet naar je als mijn partner en je bent nog altijd mijn moeder niet dus je moet wel mijn beste vriendin zijn. De waarheid is, het is nu over en ik heb je alle kansen ontnomen, daar heb ik spijt van, voor mezelf, voor jou en stiekem beken ik; voor ons. Maar spijt als in spijt zal kan ik niet bekennen want ik heb immers nooit tegen iemand gelogen. Het gevoel kan misschien onwetend zijn maar het zal nooit liegen over wat hij waarneemt. Uiteindelijk gaat toch alles maar om ‘de waarheid’. Gaat er mij nu iemand vertellen dat ík de leugen ben? mijn gevoel? Als dat zo is hoe verwerk ik ons dan? Hoe kan ik het begrijpen? Als ik wist wat ik nu wist hadden dingen misschien wel anders geweest, want waarom vertelde je me pas mijn zwaktes en mijn valkuilen toen het over was tussen ons. Nu moet ik met spijt bewonderen hoe jij in staat bent mijn ware aard te doorgronden. Het is daarom ook onwerkelijk hoe jij met zoveel liefde en gemak mijn silhouet kan tekenen tegen deze drukke achtergrond. Ik blijf nadenken al is de cirkel oneindig als de werkelijkheid betwistbaar is.